Wat heeft Arizona in petto voor de vennootschappen? Een kritische noot.

De federale begrotingsonderhandelingen zorgen opnieuw voor onrust en onzekerheid bij ondernemers die via een vennootschap werken. Er circuleren voorstellen om bepaalde fiscale voordelen sterker te koppelen aan bezoldiging en tewerkstelling. Vooral kleine vennootschappen zonder personeel zouden daardoor kunnen worden getroffen. Het gaat voorlopig om onderhandelingspistes, niet om definitieve wetgeving.

Zo zijn er pistes die voorstellen om het VVPR-bis regime voor kleine vennootschappen (= verlaagd tarief roerende voorheffing op dividenden) te koppelen aan de bezoldiging van bedrijfsleiders en/of werknemers. 

Verder zou men de toepassing van het KMO-tarief vennootschapsbelasting (=20% op de eerste 100.000 euro winst) willen afschaffen voor vennootschappen die geen werknemers tewerkstellen.

De zoektocht naar bijkomende begrotingsinkomsten richt zich opnieuw op kleine vennootschappen. Maar ook hun draagkracht heeft grenzen. Ondernemers dragen via belastingen en sociale bijdragen bij aan de schatkist, investeren eigen middelen en nemen risico’s waarvoor zij zelf de gevolgen dragen. Hen opnieuw als budgettaire oplossing naar voren schuiven, verdient minstens een grondig debat.

Een kleine vennootschap is niet automatisch een fiscale ontwijkingsconstructie. Achter die vennootschap staat vaak een zelfstandige die jarenlang een activiteit heeft opgebouwd. Geen personeel hebben, betekent niet dat men geen economische meerwaarde creëert. Ook een ondernemer die alleen werkt, investeert, koopt goederen en diensten aan en draagt verantwoordelijkheid tegenover klanten en leveranciers.

Minstens even problematisch is het voortdurende wijzigen van de spelregels. De keuze voor een vennootschap, de opbouw van reserves en de voorbereiding van een pensioen zijn beslissingen voor de lange termijn. Hoe kan een ondernemer een degelijk financieel toekomstplan maken als de fiscale uitgangspunten telkens opnieuw ter discussie worden gesteld?

Wanneer krijgen ondernemers eindelijk enige rechtszekerheid? Een begroting moet op orde worden gebracht, maar ondernemen vraagt eveneens om een voorspelbaar kader. Wie vandaag volgens de geldende regels handelt, moet erop kunnen vertrouwen dat opgebouwde reserves en langetermijnkeuzes niet zonder behoorlijke overgangsmaatregelen fiscaal worden uitgehold.

Ook bij de genoemde opbrengstdoelstelling van 450 miljoen euro past een kritische vraag: waarop is die raming gebaseerd en hoeveel blijft daarvan over wanneer ondernemers hun gedrag aanpassen? Een belastingverhoging levert niet noodzakelijk de geraamde inkomsten op als ze tegelijk investeringen afremt, activiteiten doet krimpen of ondernemers tot stopzetting aanzet.

Dat risico verdient aandacht. Wie telkens meer onzekerheid en minder perspectief ervaart, kan besluiten dat de inspanningen en risico’s niet langer opwegen tegen de opbrengst. Wanneer zelfstandigen uiteindelijk de handdoek in de ring gooien, verliest de overheid niet alleen mogelijke extra inkomsten, maar ook economische activiteit en toekomstige belastingontvangsten.

Een geloofwaardig begrotingsbeleid vraagt daarom meer dan nieuwe heffingen: stabiele spelregels, onderbouwde opbrengstramingen en respect voor ondernemerschap. Kleine vennootschappen verdienen een duurzaam beleidskader, geen permanente fiscale onzekerheid.


(Auteur: Edwin Van Lommel – Fiscaal Accountant 11308681 – 27/10/2026)

Ontdek meer