1

Bijzondere liquidatiereserve krijgt ruimer toepassingsgebied (voor het verleden)

Naar aanleiding van volgend artikel verwijzen wij vooreerst naar de inhoud van volgende link: Liquidatiereserve: uitbreiding naar boekjaar 2012 en 2013!!!

Het gaat meer bepaald om kleine vennootschappen met een gebroken boekjaar en een afsluitdatum in de laatste maanden van 2012. Omdat de latere regeling van de bijzondere liquidatiereserve slechts terugging tot aanslagjaar 2013 (voor de maatregel kwamen alleen belaste reserves in aanmerking die “bestonden” en goedgekeurd waren op 31 maart 2013), vielen die bepaalde vennootschappen met aanslagjaar 2012 niet in deze maatregel. Het Grondwettelijk Hof vindt dat discriminerend.

In afwachting kunnen de betrokken “kleine” vennootschappen het best bezwaar indienen.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)

 




Opgelet: opvolging voorafbetalingen vennootschapsbelasting wordt terug belangrijk!!!

Vanaf Aj 2018 (inkomsten 2017) werd de notionele intrestaftrek aanzienlijk verminderd (0,737%) voor de  KMO en het tarief voor de vermeerdering onvoldoende voorafbetalingen werd verdubbeld naar 2,25%.  Het voordeel wordt meer dan gehalveerd en het nadeel meer dan verdubbeld.  Begrijpe wie kan, maar het is nu eenmaal zo.  Hierdoor zullen de adviezen voorafbetalingen terug aan belang winnen.  Een verschuldigde belasting van 50.000 euro wordt immers bij onvoldoende voorafbetaling verhoogd met 1.125,00 euro niet aftrekbare belasting vermeerdering!

Abeka zorgt ervoor dat hun klanten automatisch een advies voorafbetalingen ontvangen!!!!!

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Invoering van fiscale aftrek voor innovatie-inkomsten

Oude aftrek voor octrooi-inkomsten

Onder de oude regeling voor octrooi-inkomsten, konden inkomsten uit octrooien en aanvullende beschermingscertificaten onder bepaalde voorwaarden genieten van een 80% vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Dit regime werd vanaf 1 juli 2016 afgeschaft onder druk van het BEPS-actieplan (‘Base Erosion and Profit Shifting’) van de OESO, en vervangen door een nieuw regime. Bestaande toepassingen van het oude regime kunnen tot 2021 worden toegepast onder een ‘grandfathering’-clausule.

 

Nieuwe aftrek voor innovatie-inkomsten

Het nieuwe regime werd pas recent uitgewerkt, maar zal retroactief toepasbaar zijn vanaf 1 juli 2016. Het bedrag dat in aanmerking komt voor de fiscale aftrek, wordt nu verhoogd naar 85%. De aftrek zal evenwel enkel kunnen worden toegepast op de netto innovatie-inkomsten (tegenover de bruto octrooi-inkomsten vroeger).

De netto innovatie-inkomsten worden bepaald door van de bruto inkomsten uit de intellectuele eigendomsrechten te verminderen met de O&O-kosten, de kosten van verwerving van de intellectuele eigendomsrechten, en de O&O-kosten uitgevoerd door andere ondernemingen.

Het resultaat wordt vervolgens vermenigvuldigd met de zogenaamde ’nexus’-breuk, om de uiteindelijke netto innovatie-inkomsten te bekomen.

kosten verbonden met zelf uitgevoerde uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling

Nexus = ———————————————————————————————————————

totale kosten verbonden met uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling

In de praktijk zullen ondernemingen dus moeten aantonen dat hun O&O kosten werkelijk te maken hebben met zelf uitgevoerd onderzoek en ontwikkeling. Hiervoor zullen zij onderworpen worden aan een uitgebreide documentatieplicht.

 

Uitbreiding toepassingsgebeid

In een poging om de competitiviteit van het regime te behouden, ondanks deze beperkingen opgelegd door de OESO, zal het toepassingsgebied worden uitgebreid:

  • De aftrek wordt niet enkel meer beperkt tot inkomsten uit octrooien en aanvullende beschermingscertificaten maar geldt voortaan ook voor innovatie-inkomsten uit:
    • kwekersrechten aangevraagd na 1 juli 2016 of verworven na 30 juni 2016;
    • weesgeneesmiddelen tot de eerste 10 jaar na inschrijving in het Europees Register;
    • data- of marktexclusiviteit voor gewasbeschermingsmiddelen, geneesmiddelen, diergeneesmiddelen of weesgeneesmiddelen; en
    • auteursrechtelijk beschermde software, op voorwaarde dat deze voortvloeit uit een aan de POD Wetenschapsbeleid voorgelegd ontwikkelingsproject of programma.
  • Ook schadevergoedingen wegens schending of vervreemding van de intellectuele eigendomsrechten kunnen in aanmerking komen voor de fiscale aftrek.
  • De aftrek blijft voortaan ook gelden in het kader van fusies en splitsingen van bedrijven.
  • De niet-gebruikte aftrek kan worden overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk.
  • Een deel van de winsten kan reeds vrijgesteld worden vanaf het moment dat een aanvraag wordt ingediend voor een intellectueel eigendomsrecht. Hiervoor zal een tijdelijke vrijstelling worden toegekend in afwachting van de uiteindelijke goedkeuring.
  • De fiscale aftrek voor innovatie-inkomsten vormt geen hinder voor de investeringsaftrek met betrekking tot hetzelfde gevoerde onderzoek.

Het voorontwerp zal na ondertekening door de Koning worden ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

 

(Bron: Cazimir Advocaten)




Te veel winst in 2016, kies ik voor een liquidatiereserve of voor een IPT?

Begrip groepsverzekering/IPT

Een vennootschap kan voor haar bedrijfsleider een pensioen opbouwen.

Eén van de voordelen van de aanleg van dit extra-wettelijk pensioen via een verzekering is dat de premies integraal aftrekbaar zijn van uw winst in de vennootschap. De belasting voor de bedrijfsleider op het einde van het contract is laag, van 10% tot 16,5%.

De premies van zo’n verzekering zijn voor de onderneming aftrekbaar onder bepaalde voorwaarden, waarvan de belangrijkste de zgn. 80%-grens is (het totale pensioen, zowel wettelijke als extra-wettelijke pensioen mag niet meer bedragen dan 80% van uw laatst opgenomen normale bruto jaarloon, uw verzekeraar kan dit voor u eenvoudig berekenen!). Let op, om van een groepsverzekering of IPT te genieten, moet de bezoldiging maandelijks uitbetaald worden.

Heeft u heel veel winst in de vennootschap, dan kan u een backservice laten berekenen. Dit wil zeggen dat u maximaal 10 jaar in uw loopbaan kunt teruggaan, ook voor die jaren die gepresteerd werden buiten uw vennootschap. Soms wordt wel eens vergeten dat, wanneer uw bezoldiging stijgt, u ook recht hebt op de herberekening van deze backservice.

De backservice dient u niet ineens op te gebruiken, maar kan u spreiden over verschillende jaren.
Uiteraard zal u beseffen dat de aftrek van een IPT maximaal rendeert als u ervoor zorgt dat de premie in mindering komt van de winst die u hebt gemaakt in het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting (33,99%)

 

Begrip liquidatiereserve

Kmo-vennootschappen kunnen hun winsten opnemen in een zogenaamde liquidatiereserve op het passief van de balans. De liquidatiereserve laat een aandeelhouder natuurlijke persoon toe om de vennootschapswinsten op termijn uit te keren met een aanzienlijke belastingbesparing. Meer info hierover vindt u in een vorig Abeka artikel: Nieuwe permanente regeling liquidatiereserve start reeds voor de inkomsten 2014 (aj. 2015)

Het grote verschil met een IPT is dat een liquidatiereserve niet aftrekbaar is van de winst. Zij heeft wel het voordeel dat, mits het betalen van een bijzondere aanslag van 10% in het jaar van aanleg, bij uitkering bij de vereffening van de vennootschap deze bedragen dan ook belastingsvrij zijn. Positief is ook dat, als men de uitkering van deze liquidatiereserve slechts 5 jaar na aanleg doet, men slechts 5% roerende voorheffing extra betaalt. Of een totale belasting van 13,64%. Dit staat toch nog in schril contrast met de roerende voorheffing op dividenden, zijnde 27% en binnenkort waarschijnlijk 30%.

 

Welke keuze maken?

Als wij beide opties naast elkaar leggen dan stellen wij vast:

  • Een groepsverzekering of IPT wordt enkel aan uzelf als bedrijfsleider uitgekeerd.
  • Een liquidatiereserve dient aan alle aandeelhouders uitgekeerd te worden, en dit aan al degene die aandeelhouder zijn op het moment van uitkering.
  • Een groepsverzekering of IPT zal altijd door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerd worden (zelfs bij een later faillissement) daar de premies al door de vennootschap betaald werden en nadien belegd werden door de verzekeraar.
  • Bij een liquidatiereserve zal u nog altijd moeten afwachten of de gelden bij uitkering naar u toe in de vennootschap wel beschikbaar zijn.
  • Lijdt de vennootschap na aanleg van de liquidatiereserve belangrijke verliezen en hebt u nadien in de vennootschap niet meer de financiële middelen voor een uitkering, dan is de bijzondere aanslag definitief verloren.
  • Fiscaal gezien betaalt u bij uitkering van de IPT wel een relatief lage belasting (bij pensioenering op 65 jaar 10%), waar dit bij de liquidatiereserve bij vereffening van de vennootschap niet zo is, maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door de belastingbesparing die de vennootschap (tot 33,99%) realiseert.

Abeka adviseert u volledig bij de mogelijke keuzes.
Afhankelijk van de winsten, de continuiteit en de structuur van uw onderneming alsook uw persoonlijke situatie kunnen wij voor u het juiste advies aanbieden.
Tevens kan een jaarlijkse spreiding van beide opties een maximaal resultaat opleveren.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Nog slechts 13 dagen de tijd om uw fiscaal geschenk binnen te halen: de liquidatiereserve 2013

Als uw KMO in 2013 winst heeft gemaakt, kunt u eerstdaags nog een bijzondere liquidatiereserve aanleggen.

KMO-vennootschappen hebben ten gevolge van de Programmawet van 10/08/2015 de mogelijkheid om een bijzondere liquidatiereserve aan te leggen over de winsten met betrekking tot het aanslagjaar 2014.

Het aanleggen van de bijzondere liquidatiereserve heeft een afzonderlijke belasting in de vennootschapsbelasting tot gevolg van 10%.  Hiervoor dient een afzonderlijke aangifte te worden ingediend en de afzonderlijke belasting dient betaald te worden vóór 30/11/2016.

Aangezien de liquidatiereserve hierdoor reeds wordt belast met 10% kan deze in het geval van een vereffening van de vennootschap uitgekeerd worden aan de aandeelhouders/vennoten zonder roerende voorheffing op de liquidatiebonus.  Het betreft met andere woorden een definitieve belasting van de reserves in de vennootschap.

Het normale tarief roerende voorheffing op de liquidatiebonus bedraagt heden 27%.  Het valt te verwachten dat deze roerende voorheffing wordt opgetrokken naar 30% ten gevolge de budgettaire maatregelen van onze regering.  Door toepassing van de bijzondere liquidatiereserve kan hierdoor naar de toekomst een besparing worden gerealiseerd van 20% op de te verdelen reserves.

Indien de liquidatiereserve wordt uitgekeerd vóór liquidatie van de vennootschap is er een aanvullende roerende voorheffing van 17% (20% vanaf 01/01/2017?) verschuldigd.

Heel belangrijk voordeel: in het geval u de liquidatiereserve toch uitkeert 5 jaar na de laatste dag van het boekjaar waarin ze wordt aangelegd, is er nog slechts een roerende voorheffing van 5% verschuldigd!!!! Uw voordeel in dit geval is 27% – 13,64% = 13,36% belasting.

U kunt maximaal de winst na belastingen van 2013 (aanslagjaar 2014) overboeken naar de bijzondere liquidatiereserve, op voorwaarde dat die winst nog deel uitmaakt van uw reserves bij het begin van het huidig boekjaar.

Wilt u alsnog gebruik maken van deze opportuniteit, dan moet u deze aangifte opmaken vóór 30/11/2016 via formulier 275A-Bijz.

U kan deze aangifte:

  • mailen naar CPIC.PRMRV@minfed.fed.be
  • per post versturen naar Inningscentrum, sectie roerende voorheffing, Koning Albert II laan 33 B42, 1030 Brussel.

Ook de betaling van deze 10% roerende voorheffing dient bij de fiscus te zijn toegekomen vóór 30/11/2016 !!!!

Nog belangrijk om weten is dat de huidige reserves in de vennootschap kunnen aangetast worden door eventuele toekomstige verliezen.  In deze concrete situatie kan dit tot gevolg hebben dat u een afzonderlijke belasting van 10% op uw winsten/reserves heeft afgedragen die niet meer voor uitkering ter beschikking zijn in het geval van liquidatie!

Mocht u nog vragen hebben met betrekking tot de toepassing van deze bijzondere liquidatiereserve dan kan u hiervoor contact opnemen met edwin@abeka.be

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Alles over de digitale investeringsaftrek van 13,5%

Elke kmo die in 2015 of 2016 een investering doet in digitale betalings- en facturatiesystemen, ICT-beveiligingssystemen of interfaces om online betalen en veiligheid te realiseren, kan genieten van een extra investeringsaftrek. De investeringsaftrek is sinds 1 januari 2016 sowieso verdubbeld van 4 naar 8%, maar voor digitale investeringen is deze opgetrokken naar 13,5%. Zowel uw webbedrijf als uw klanten kunnen dus aanspraak maken op deze takskorting. Voorwaarde is dat de factuur van de leverancier specifieke vermeldingen bevat. Onder meer moet de leverancier bevestigen dat de aftrekvoorwaarden vervuld zijn. Voor facturen van 2015 die nog niet aangepast waren, volstaat een bijlage bij de factuur die deze vermeldingen bevat.

Wat houdt deze maatregel in?
Een onderneming, die bij de oprichting of uitbreiding een investering uitvoert, kan onder bepaalde voorwaarden een investeringsaftrek verkrijgen. Dit is een fiscaal voordeel waarbij men een bepaald percentage van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de investeringen uitgevoerd tijdens het belastbaar tijdperk, mag aftrekken van de belastbare winst. Het percentage past men éénmalig toe op de aanschaffings-of beleggingswaarde van de goederen. In enkele gevallen mag men de aftrek spreiden over de afschrijvingsperiode van de investeringen.

Indien de winst onvoldoende is, mogen de investeringsaftrekken die niet kunnen worden verricht, onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden op de winsten van de volgende belastbare tijdperken.

Digitale investeringen
In aanmerking komen de digitale vaste activa die dienen voor de integratie en de exploitatie van digitale betalings- en factureringssystemen (ook een betaalterminal komt in aanmerking) en de systemen die dienen voor de beveiliging van informatie- en communicatietechnologie. De investeringsaftrek voor digitale investeringen bedraagt 13,5 % in eenmanszaken en KMO-vennootschappen.

In de programmawet van 10 augustus 2015 werd de verhoogde investeringsaftrek reeds uitgebreid naar digitale investeringen in cybersecurity en elektronische betaling en facturatie. In het K.B. worden de uitvoeringsmodaliteiten van deze maatregel verder bepaald.

De categorieën van digitale investeringen waarvoor deze maatregel van toepassing is zijn :

  1. investeringen in e-commerce,  en meer bepaald voor investeringen in software of apparatuur die:
    – de elektronische betaling vergemakkelijken;
    – dienen voor elektronische facturatie, handtekening of archivering.
  2. investeringen in cybersecurity:
    – software of apparatuur die dienen voor de beveiliging van informatie, netwerken en ICT-installaties;
    – monitoring- en auditinstrumenten voor de beveiligingssystemen van ICT;
    – software of apparatuur die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken.
  3. Tot slot komen ook aanvullende investeringen, die gepaard gaan met de uitvoering van de twee hierboven vermelde categorieën van investeringen, in aanmerking. In dit geval gaat het om :
    – kosten voor softwareontwikkeling die verband houden met de bovenvermelde investeringen (en hiermee samen worden afgeschreven);
    – investeringen die de interfacing met andere systemen van de onderneming of systemen buiten de onderneming mogelijk maken.

Voorbeeld:
Een KMO koopt in 2016 elektronische betaalterminals aan die de elektronische betaling in haar winkels moet toelaten, voor een bedrag van 50.000 EUR. De investeringsaftrek bedraagt dan 50.000 x 13,5% = 6.750 EUR. Berekend aan het standaardtarief bedraagt het belastingvoordeel voor de onderneming dan 2.294 EUR (=6.750 x 33,99%). of 4,6% van de totale investering.

Wat moet u doen als dienstenleverancier?
Levert uw webbedrijf diensten die onder de bovenvermelde digitale investeringen vallen, dan dient u speciale vermeldingen ofwel op de factuur ofwel in de bijlage te voorzien. U dient immers de conformiteit  van de goederen of diensten te garanderen op basis van de technische criteria die voorkomen in bijlage IIter/1 (KB pagina 72743). Om het u gemakkelijk te maken, maakte FeWeb een modelbijlage op.

Update 16 juni 2016:
De FOD Financiën bevestigt in het geval van het opmaken van een generieke factuur de digitale investeringsaftrek geweigerd zal worden. Het is dus noodzakelijk om de factuur te detailleren zodat de administratie kan nagaan of de digitale investeringen waarvan sprake in het KB overeen komen met wat er gefactureerd werd. Een groter project kan aldus in verschillende onderdelen opgesplitst worden. Daar het een redelijke nieuwe regeling is, bestaan er nog geen omzendbrieven of andere verduidelijkingen die de administratie kunnen helpen bij het interpreteren van het KB.

Welke bedrijven kunnen genieten van deze digitale investeringsaftrek?
Enkel KMO’s (volgens de definitie van art. 15 van het wetboek van vennootschappen), m.a.w. bedrijven die voldoen aan deze voorwaarden (in het laatste afgesloten boekjaar):
– Max 9 miljoen euro jaaromzet
– Max 4,5 miljoen euro balanstotaal
– Max 50 personeelsleden
Maximum één van deze 3 criteria mag overschreden worden om toch nog in aanmerking te komen.

Update 23 juni 2016
In een antwoord op de mondelinge vraag van Kamerlid Luk Van Biesen (Open VLD) bevestigt Minister De Croo dat de digitale investeringsaftrek wel degelijk betrekking heeft op de website of webshop in zijn geheel.
“Wanneer de investering een onlosmakelijk geheel vormt met daarin functies met betrekking tot digitale betalingen en/of beveiliging, zullen deze investeringen voor hun volledige aanschaffingswaarde aanspraak kunnen maken op de investeringsaftrek voor digitale vaste activa.” Tenzij de investeringen duidelijk identificeerbaar zijn, dan dienen ze apart vermeld te worden op de factuur en zal de digitale investeringsaftrek enkel gelden voor deze identificeerbare elementen.

Meer info:
Uitleg over investeringsaftrek door Agentschap Ondernemen
Uitleg over investeringsaftrek door FOD Financiën
Link naar het KB van 2/12/2015

 

Bron: FeWeb




Te weinig bedrijfsvoorheffing ingehouden, fiches VAA niet neergelegd vóór 01/03/2016: boetes op komst!!!

Sinds begin dit jaar zal de fiscus automatisch boetes opleggen aan wie geen of te weinig bedrijfsvoorheffing heeft gestort (50 euro eerste overtreding, 125 euro tweede overtreding tot max. 1250 euro).
Daarboven komt nog een belastingverhoging (van 10% tot 200%).

Wie de fiscale fiches (o.a. voordelen alle aard) niet vóór 01/03/2016 indient, krijgt een forfaitaire boete.

Tot voor kort was het percentage voor het voordeel voortvloeiend uit ontvangen voorschotten via rekening-courant via de vennootschap nog niet gekend.
Uiteindelijk werd dit toch nog vastgelegd via het KB van 22/02/2016 dat verscheen in het BS van 25/02/2016.

De referentievoet FDR 2015 werd bepaald op 8,16%.

Vanwege de laattijdige publicatie van die referentierentevoeten zal de FOD Financiën zich tolerant opstellen bij het laattijdig indienen van fiches 281.10, 281.11 en 281.20 waar een voordeel van alle aard voor renteloze of goedkope leningen moet worden vermeld.

Opgelet: dit betreft geen andere fiches (dus ook niet de fiches 281.10, 281.11 en 281.20 waar zo een voordeel van alle aard niet moet worden vermeld). Die fiches moeten nog steeds ten laatste op 29 februari ingediend zijn.

Het is het sociaal secretariaat dat deze fiches moet opmaken, geadviseerd door de boekhouder/accountant.
Om dit alles correct af te punten, is er echter heel wat werk nodig, zeker binnen de korte termijn waarover wij beschikken.

Abeka doet alvast het nodige voor zijn klanten.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Verhoogde investeringsaftrek voor kleine ondernemingen (opgepast: gewijzigde criteria!)

Kleine ondernemingen die in 2014 en 2015 investeerden in nieuwe vaste activa konden van een tijdelijke, éénmalige investeringsaftrek genieten. Deze investeringsaftrek bedroeg 4% van de aanschaffings- of beleggingswaarde van deze activa. Voor zelfstandigen bedroeg ze 3,5%.

De overdraagbaarheid van de niet aangewende investeringsaftrek was beperkt tot één jaar. De onderneming moest opteren voor de toepassing van de investeringsaftrek of de notionele intrestaftrek.

Om beschouwd te worden als een kleine vennootschap moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Ook deze voorwaarden veranderden op 1 januari 2016.

Een kleine vennootschap in deze context is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, die gedurende het laatste en voorlaatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van volgende drie criteria overschreed:

Vennootschappen met gemiddeld meer dan 100 werknemers per jaar vallen nooit onder het toepassingsgebied van de kleine ondernemingen.


Wat veranderde er vanaf 1 januari 2016?

  • de tijdelijke investeringsaftrek voor investeringen in vaste activa door zelfstandigen en, in de jaren 2014 en 2015, voor kleine vennootschappen wordt permanent gemaakt.
  • voor zelfstandigen stijgt dit basispercentage van 3,5% naar 8%. Voor kleine vennootschappen van 4% naar 8%.
  • de verhoogde investeringsaftrek van 10%-punt bovenop het basispercentage voor bepaalde specifieke investeringen blijft behouden. Het hiervoor gehanteerde basispercentage blijft echter 3,5%. Het stijgt dus niet tot 8%.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Verhoging roerende voorheffing van 25% naar 27% vanaf 1 januari 2016, maar wat bij uitkering?

Wij hebben vastgesteld dat veel van onze klanten gebruik gemaakt hebben van de “bijzondere liquidatiereserve”. En niet ten onrechte! Reserves of overgedragen winsten kunnen op deze manier via dividenden, zonder tot liquidatie over te gaan, uitgekeerd worden aan een anticipatieve heffing van 10% met daarbovenop 5% bij uitkering (indien men uitkeert na 5 jaar). De werkelijk betaalde belasting bedraagt dan 13,64% (zie artikel van onze vorige nieuwsbrief: Bijzondere liquidatiereserve aanslagjaar 2013: deadline nadert!).

Op 1 januari 2016 werd de roerende voorheffing verhoogd van 25% naar 27%.

Er blijven nog slechts enkele kleine uitzonderingen (15% rv): de inkomsten uit cessie of concessie van auteursrechten, de “Leterme bon”, de VVPR-KMO regeling, intresten van spaardeposito’s boven de vrijgestelde schijf.

Ter herinnering: VVPR-KMO regeling: 15% rv op dividenden van aandelen die zijn uitgegeven in ruil voor een inbreng in geld sinds 01/07/2013.

Heeft men gebruik gemaakt van de bijzondere liquidatiereserve, zoals hierboven beschreven, dan blijft bij uitkering na 5 jaar de belasting 5%. Indien men echter uitkeert binnen de 5 jaar, dan wordt de belasting toch nog 17% in plaats van 15%.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Bijzondere liquidatiereserve aanslagjaar 2013: deadline nadert!

De fameuze taxshift voorziet in een verhoging van de roerende voorheffing van 25 naar 27 %. Maar nu nog kan u vroegere winsten uit uw vennootschap halen aan 10% of aan 13,64% (werkelijke belastingsdruk). Yes, you can!!!! Zelfs nog voor de winsten van boekjaar 2012 en 2013!!!!

Spijtig genoeg werd de benaming “liquidatie” er op geplakt, maar niets is minder waar.

Wie overweegt om gebruik te maken van de bijzondere liquidatiereserve voor de winst over aanslagjaar 2013 (veelal boekjaar 2012) maar nog geen definitieve beslissing daartoe genomen heeft, dient nu echt wel in actie te komen. De bijzondere heffing van 10 % dient immers vóór 30 november 2015:

  • via een bijzondere aangifte ingediend te worden
  • op de rekening van de belastingsadministratie te staan

 

Waarover gaat het?

U herinnert zich ongetwijfeld dat de Regering Di Rupo de roerende voorheffing (RV) over de liquidatieboni met ingang van 1 oktober 2014 verhoogde van 10 % naar 25 %. Daarbij werd wel in een overgangsregeling voorzien voor de bestaande reserves. Die mochten als dividend uitgekeerd worden tegen betaling van 10 % RV, waarna het nettobedrag in kapitaal geïncorporeerd werd. Dit systeem staat bekend als de “interne vereffening”. In praktijk ging het veelal over belaste reserves tot en met aanslagjaar 2012.

De regering Michel heeft bij haar aantreden een permanent karakter gegeven aan dit systeem (al zijn er wel wat positieve verschilpunten). Het nieuwe stelsel staat bekend als de liquidatiereserve en is van toepassing sinds aanslagjaar 2015.

Dat betekent dat de winsten over aanslagjaren 2013 en 2014 tussen wal en schip vielen. Met de bijzondere liquidatiereserve wil de regering alsnog een éénmalige kans geven om de winst van die jaren mee te betrekken in de liquidatiereserve.

 

Waarom zou u gebruik maken van de (bijzondere) liquidatiereserve?

Door gebruik te maken van de (bijzondere) liquidatiereserve en dus nu de afzonderlijke heffing van 10 % te betalen, is er bij latere vereffening geen RV meer verschuldigd.

Bij een gewone dividenduitkering van deze liquidatiereserve is daarentegen nog slechts 5 % RV verschuldigd, mits het respecteren van een wachttermijn van 5 jaar (helaas).

Wacht je geen 5 jaar, dan bedraagt de RV alsnog 15 %.

Het is dus duidelijk dat er een brede kloof gaapt tussen het verlaagd tarief van 10 % resp. 15 % (wachttijd 5 jaar) en het gewone tarief van 25 %. In praktijk is het verschil zelfs nog iets groter.  Gelet op de berekeningswijze van de bijzondere heffing van 10 % en het feit dat deze wordt gedragen door de vennootschap (en niet door de aandeelhouder zoals bij een dividend), bedraagt de werkelijke belastingdruk op een dividend (na wachttermijn van 5 jaar) slechts 13,64 %.

Door gebruik te maken van de (bijzondere) liquidatiereserve kan u de globale belastingdruk dus gevoelig verminderen!

Bovendien wordt de kloof alleen maar groter als gevolg van de tax shift: het gewone tarief RV zal immers stijgen naar 27 %.

Terloops, voor wie gebruik maakt van de liquidatiereserve en vervolgens overgaat tot uitkering van een dividend in jaar 1, zal 17 % (in plaats van 15 % RV) moeten inhouden.

 

Voor wie is dit interessant?

De liquidatiereserve staat enkel open voor kleine ondernemingen. Wat de bijzondere liquidatiereserve betreft, volstaat het dat de vennootschap zich als ‘klein’ kwalificeerde voor aanslagjaar 2013 resp. 2014, ook al is ze intussen ‘groot’.
In volgende omstandigheden is de bijzondere liquidatiereserve zeker het overwegen waard:

  • uw ondernemingsrisico is relatief beperkt (de kans op toekomstige verliezen is gering)
  • u heeft vereffeningsplannen (de wachttermijn van 5 jaar geldt hier niet!)
  • de vennootschap heeft overtollige liquiditeiten die niet geïnvesteerd worden
  • het eigen rendement op deze liquiditeiten weegt niet op tegen de belastingbesparing (de bijzondere heffing die u nu betaalt, kan u uiteraard niet meer beleggen)
  • u kan de beschikbare liquiditeiten (na wachttermijn van 5 jaar) zelf goed gebruiken
  • alle aandeelhouders (of veruit de belangrijkste) zijn natuurlijke personen.

In de praktijk is de (bijzondere) liquidatiereserve veelal interessant voor vennootschappen van vrije beroepers, consultants en managers. Dat neemt niet weg dat de regeling ook voor andere KMO’s nuttig kan zijn.

 

Wat moet u doen?

Wie gebruik wil maken van de bijzondere liquidatiereserve over aanslagjaar 2013 moet daartoe vóór 30 november 2015 een bijzondere aangifte indienen alsook de overeenkomstige belasting betalen.

Het is overigens mogelijk om meteen ook de bijzondere liquidatiereserve over aanslagjaar 2014 (inkomstenjaar 2013) af te wikkelen, al heeft u daartoe nog tot 30 november 2016 tijd.

 

Advies:

Al onze klanten, waarvan wij dachten dat zij voor deze opportuniteit in aanmerking kwamen, werden door Abeka+ reeds pro-actief geadviseerd.

In het geval u over deze fiscale opportuniteit nog vragen zou hebben kan u, klant zijnde of niet, nog deze week met ons contact opnemen zodat wij samen met u kunnen bespreken of deze bijzondere liquiditeitsreserve iets voor u is en wij deze alsnog tijdig kunnen implenteren.