1

Notionele intrestaftrek

Vanaf aanslagjaar 2007 geeft de regering een nieuw fiscaal geschenk aan alle vennootschappen, namelijk de notionele intrestaftrek. Praktisch zal er een percentage op het eigen vermogen worden toegekend als belastingsaftrek. Hier volgt een grondige uiteenzetting van de notionele intrestaftrek:

Algemeen

De fiscus wil vanaf AJ2007 (=1/1/2006) een vermindering van de belastbare grondslag toestaan met een bedrag dat overeenstemt met de fictieve rendabiliteit van het eigen vermogen. In de vakliteratuur spreekt men ook wel van de aftrek voor risicokapitaal.

Wie?

  1. Alle vennootschappen en rechtspersonen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting kunnen gebruik maken van de notionele intrestaftrek. Voorwaarde is wel dat ze een jaarrekening opstellen. Kleine vennootschappen die van die verplichting ontheven zijn, zullen voor boekjaar 2005 al een jaarrekening moeten opstellen, willen ze in AJ2007 de notionele intrestaftrek genieten.
  2. Buitenlandse vennootschappen met een Belgische vaste inrichting of onroerende goederen in België. Zij moeten wel een boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen.
  3. NIET: vennootschappen die aan een afwijkend fiscaal regime onderworpen zijn. Denk daarbij aan: coördinatiecentrum, BEVEK, BEVAK, VBS, reconversievennootschap, coöperatieve participatievennootschap (wet 22/5/2001) en de zeescheepvaartvennootschap.

Wat

De notionele intrestaftrek is een percentage op het eigen vermogen dat men van de belastbare winst mag aftrekken. (denk aan investeringsaftrek = % op investeringen/afschrijvingen dat in aftrek van de belastbare winst wordt gebracht)

 

Eigen vermogen

De basis voor de berekening van de notionele intrestaftrek is het eigen vermogen uit de balans van het vorige jaar (vandaar de noodzaak aan een jaarrekening voor boekjaar 2005 voor kleine vennootschappen!!) overeenkomstig de wet op de boekhouding en de jaarrekening. Wanneer een vennootschap wordt opgericht, vormt de toestand van het eigen vermogen bij oprichting de basis.

De basis wordt verminderd met:

  • Kapitaalsubsidies (rekening 15);
  • Uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden (rekening 12/herwaarderingsmeerwaarden);
  • Fiscale nettowaarde (op het einde van het voorgaande belastbare tijdperk!!) van eigen aandelen die door de vennootschap zelf worden aangehouden en van de financiële vaste activa (=deelnemingen en andere aandelen);
  • Nettoboekwaarde van een buitenlandse vaste inrichting in een land met verdrag ( dat wil zeggen dat de inkomsten van de vaste inrichting vrijgesteld zijn op basis van het dubbelbelastingverdrag). De netto boekwaarde is de nettoboekwaarde van het actief min de voorzieningen en de schulden die op de vaste inrichting kunnen worden toegerekend;
  • Nettoboekwaarde van buitenlandse onroerende goederen in een land met verdrag (idem buitenlandse vaste inrichtingen);
  • Nettoboekwaarde van materiële vaste activa wanneer de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overschrijden;
  • Boekwaarde van zaken die worden aangehouden als belegging en die als zodanig geen periodieke inkomsten opleveren. Voorbeelden: antiek, kunst, juwelen, … wel oppassen dat dit niet geldt wanneer deze zaken als voorraad geboekt zijn (juwelier, antiekhandelaar, …)!
  • Nettoboekwaarde van onroerende goederen waarvan het gebruik toekomt aan bedrijfsleiders 1° categorie (art 32, 1° lid, 1° WIB), hun echtgenoot of niet ontvoogde kinderen van beiden.

Wanneer in aanmerking te nemen of uit te sluiten elementen tijdens het boekjaar wijzigingen ondergaan, moet men werken met gewogen gemiddelden. Elke wijziging moet afzonderlijk beschouwd worden. Een wijziging wordt geacht plaats te vinden op de eerste dag van de maand die volgt op de wijziging. Zo zal een kapitaalsverhoging op 15 november slechts voor 1/12 mee in rekening worden genomen (met dien verstande dat de vennootschap afsluit op 31/12!!). Ik ga niet te ver uitwijden over wijzigingen tijdens het boekjaar want er zjin momenteel nergens uitgewerkte praktijkvoorbeelden te vinden.

Wanneer een eerste boekjaar langer/korter is dan 12 maanden, dan wordt het bedrag aan notionele intrestaftrek vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal dagen van het belastbare tijdperk en de noemer gelijk is aan 365.

 

Tarief

Het tarief zal jaarlijks bepaald worden op basis van de referte-indexen die het rentenfonds maandelijks bekendmaakt (OLO op 10 jaar). Het tarief mag nooit 6,5% overschrijden en zal nooit groter dan 1 % zijn dan het tarief van het voorgaande aanslagjaar. Belangrijk is wel dat het tarief 0,5% hoger ligt voor kleine vennootschappen in de zin van art 15 WVENN.

 

Aanslagjaar              Grote ondernemingen              KMO-vennootschappen

2012                                  3,425%                                      3,925%

2011                                  3,800%                                      4,300%

2010                                  4,473%                                      4,973%

2009                                  4,307%                                      4,807%

2008                                  3,781%                                      4,281%

2007                                  3,442%                                      3,942%

 

KMO-vennootschap: dit is een vennootschap die maximaal één van de volgende criteria overschrijdt (op geconsolideerde basis –> artikel 15 W.Venn):

  • een omzet van 7.300.000 euro
  • een balanstotaal van 3.650.000 euro
  • een gemiddeld personeelsbestand van 50 werknemers

Een vennootschap met een gemiddeld personeelsbestand van 100 werknemers is echter nooit een KMO-vennootschap.

 

Volgorde aftrek

De notionele intrestaftrek zal na de DBI aftrek en voor de recuperatie van geleden verliezen en van de investeringsaftrek plaatsvinden (tip: bekijk eens de aangifte vennootschapsbelasting)

 

Overdraagbaarheid

De notionele intrestaftrek is beperkt overdraagbaar. Als er niet genoeg winst is om de aftrek te genieten, is hij overdraagbaar op de winst van de 7 volgende jaren.

De notionele intrestaftrek is echter niet langer overdraagbaar wanneer zich een controlewijziging voordoet die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften (gewijzigd art 207 WIB).

 

Voorwaarden

  • OnaantastbaarheidsvoorwaardeAanvankelijk moest de aftrek op een afzonderlijke passiefrekening (132500??)geboekt worden en blijven gedurende de 3 belastbare tijdperken die volgden opdatgene waarvoor de aftrek werd verleend. De niet naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde leidde tot een effectieve belasting van de reeds toegepaste aftrek. De notionele intrestaftrek die nog niet was toegepast, was vanaf dat moment niet overdraagbaar meer. Begin AJ 2007 werd deze voorwaarde echter afgeschaft.
  • Investeringsreserve Wanneer een belastingplichtige (=KMO) opteert voor de investeringsreserve, zal hij voor dat belastbaar tijdperk en de twee volgende niet meer kunnen genieten van de notionele intestaftrek. De overdraagbaarheidstermijn van de notionele intrestaftrek wordt wel verlengd met de periode waarvoor de aftrek niet kan worden toegepast.

 

Gevolgen op fiscaliteit van deze maatregel

  • RegistratierechtenHet recht van 0,5% bij oprichting of inbreng wordt vervangen door een vast recht van 25€.
  • Belastingkrediet KMO Het belastingskrediet verdwijnt behalve het deel dat nog niet verrekend werd door AJ2007.
  • Investeringsaftrek De investeringsaftrek verdwijnt behalve het gedeelte dat werd toegestaan vóór AJ2007. Dat wil zeggen dat de gespreide investeringsaftrek nog doorloopt voor de volgende jaren en dit voor investeringen die werden gedaan tot 31/12/2005.

De verhoogde aftrek voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling, in herbruikbare verpakkingen en in energiebesparende maatregelen blijft echter wel behouden.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Intresten vragen aan uw vennootschap is een interessante techniek

In het verleden hebben wij onze klanten/bedrijfsleiders regelmatig geadviseerd om intresten te vragen op gelden welke zij tegoed hebben op hun vennootschap.
Het is een leuke manier om wat extra te verdienen.

Enerzijds zijn deze intresten:

  • aftrekbaar in de vennootschap
  • er wordt door de vennootschap slechts 15% roerende voorheffing afgehouden van deze intresten en voor de rest blijven deze intresten onbelast bij u.

Let op dat je steeds een marktconforme rente vraagt. We kunnen stellen dat een marktconforme rente een rente is, zoals door een bank op dat moment gevraagd, eventueel verhoogd met een risicopremie (bvb.2%)


Is er altijd 15% roerende voorheffing verschuldigd?

Neen, indien het bedrag waarop u intresten vraagt hoger is dan de som van het gestorte kapitaal + de belaste reserves, dan wordt een deel van deze intresten geherkwalificeerd als dividenden en dient hierop 25% roerende voorheffing betaald te worden.

Andere gevolgen:

  • Dit gedeelte van intresten is dan ook niet aftrekbaar voor de vennootschap.
  • De vennootschap kan het verlaagd tarief verliezen.

Zijn er nog meer addertjes onder het gras?

Wettelijk gezien geldt de herkwalificatie enkel als er een geldlening wordt toegestaan door een bedrijfsleider.
Maar onlangs sprak een rechter in het Hof van cassatie (15/10/2010) zich uit over een bedrijfleider die zijn aandelen aan zijn vennootschap had verkocht. De verkoopprijs werd echter niet betaald, maar geboekt als een schuld. Hierop werden intresten toegekend aan de bedrijfsleider. De fiscus beschouwde dit als een geldlening en herkwalificeerde een deel van de intresten als dividend. De rechter gaf de fiscus gelijk om vooral volgende redenen:

  • er werd een boeking verricht als schuld op méér dan één jaar
  • er werd geen termijn bepaald om de verkoopprijs terug te betalen
  • de intresten werden geboekt op een rekening  ” intresten lening ” in plaats van op een rekening ” intresten aankoop aandelen “.

Heel erg voor onze collega boekhouder, die het ook allemaal best bedoeld had ……

Dus let er voortaan zeker op dat u:

  • goede overeenkomsten opstelt
  • het woord lening vermijdt , zowel in de contracten als in de boekhouding
  • dan liever op een rekening-courant van de bedrijfsleider boekt
  • een afbetalingsplan opstelt

En een gouden raad….. zorg er steeds voor dat de overeenkomsten die je opstelt ook in werkelijkheid juist uitgevoerd worden.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Individuele fiches 281.50 en samenvattende opgave 325.50

De schuldenaars van commissies, makelaarslonen, erelonen, enz., moeten de fiches 281.50 en de samenvattende opgave 325.50, die zij op naam van de verkrijgers van voormelde inkomsten opmaken, voor 30 juni van elk jaar bij de bevoegde dienst indienen.

Voor meer informatie verwijzen wij naar de website van Belcotax.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Voordeel alle aard bedrijfswagen: belangrijke aanpassing vanaf 01/01/2010

Een bedrijfswagen waarmee de werknemer of bedrijfsleider privé-verplaatsingen en woon-werkverplaatsingen maakt, vormt een belastbaar voordeel in natura. Op dit voordeel moet de genieter belastingen betalen. Vanaf 01/01/2010 is het belastbaar voordeel niet langer afhankelijk van de fiscale PK, maar van de CO2-uitstoot en de CO2-coëfficiënt.

Deze belasting wordt in principe aangerekend door de inhouding van bedrijfsvoorheffing op de maandelijkse loonberekening.

Om dit belastbaar voordeel te bepalen, bestaan er 2 fiscale berekeningsformules:

  • de forfaitaire berekeningsformule
  • de berekeningsformule volgens de werkelijke waarde van het voordeel

De nieuwe CO2-wetgeving heeft betrekking op de forfaitaire berekeningsformule. Aan de berekeningsformule volgens de werkelijke waarde van het voordeel, dit voor bestelwagens en moto’s, wijzigt niets.


Hoe werkt de forfaitaire berekeningsformule?

  • er geldt een forfait van 5.000 kilometer: woon-werkafstand (enkele rit) bedraagt maximum 25 kilometer
  • er geldt een forfait van 7.500 kilometer: woon-werkafstand (enkele rit) bedraagt meer dan 25 kilometer
  • er geldt een forfait van 5.000 kilometer: voor werknemers of bedrijfsleiders die geen woon-werkverkeer doen met de wagen, maar deze wel privé ter beschikking krijgen van de werkgever

Belastbaar voordeel tot en met 31/12/2009: forfaitaire kilometers vermenigvuldigd met een coëfficiënt afhankelijk van de fiscale PK van de wagen.

Belastbaar voordeel vanaf 01/01/2010: forfaitaire kilometers vermenigvuldigd met de CO2-uitstoot en met de CO2-coëfficiënt.


Berekeningswijze

Het belastbaar voordeel is vanaf 01/01/2010 gelijk aan het aantal forfaitaire kilometers, vermenigvuldigd met de CO2-uitstoot van de wagen en met de CO2-coëfficiënt.

Woon-werkafstand (enkele rit) bedraagt < 25 km –> berekening maandelijks belastbaar voordeel: 5.000 km x CO2-uitstoot x CO2-coëfficiënt/12

Woon-werkafstand (enkele rit) bedraagt > 25 km –> berekening maandelijks belastbaar voordeel: 7.500 km x CO2-uitstoot x CO2-coëfficiënt/12
De CO2-coëfficiënt is afhankelijk van het brandstoftype van de wagen:

Benzine/LPG/aardgas –> CO2-coëfficiënt: 0,00210 euro per gram CO2
Diesel                        –> CO2-coëfficiënt: 0,00230 euro per gram CO2
Elektrisch                   –> CO2-coëfficiënt: 0,10 euro per gram CO2 (= minimumbijdrage)

De CO2-coëfficiënten worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd.

Vanaf 01/01/2011 gelden volgende bedragen:

Benzine/LPG/aardgas –> CO2-coëfficiënt: 0,00216 euro per gram CO2
Diesel                        –> CO2-coëfficiënt: 0,00237 euro per gram CO2
Elektrisch                   –> CO2-coëfficiënt: 0,10 euro per gram CO2 (= minimumbijdrage)


Waar vindt men de CO2-uitstoot van de wagen terug?

De CO2-uitstoot kan men terugvinden op het gelijkvormigheidsattest van de wagen of op de website van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

CO2-gids

Website Ecoscore
Wat indien de CO2-uitstoot van de wagen niet gekend is?

Indien de CO2-uitstoot van de wagen niet gekend is bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) geldt volgende vaste CO2-emissie:

  • 205 gram per kilometer voor wagens op benzine, LPG en aardgas
  • 195 gram per kilometer voor dieselwagens


Er is een minimumbijdrage

Eveneens nieuw in de CO2-berekeningsformule: er is een minimumbijdrage van 0,10 euro per kilometer.

Deze minimumbijdrage moet toegepast worden indien de uitkomst van de vermenigvuldiging van de CO2-coëfficiënt en de CO2-uitstoot lager is dan 0,10 euro per gram CO2. Deze minimumbijdrage zal uiteraard enkel maar van toepassing zijn op zeer milieuvriendelijke wagens.


Wat indien het personeel zelf een bijdrage betaalt?

Sommige firma’s vragen aan hun werknemers om een bijdrage te betalen, opdat ze met een bedrijfswagen zouden kunnen rijden. Deze persoonlijke bijdrage mag afgetrokken worden van het berekende belastbare voordeel. Mogelijk komt het belastbare voordeel hierdoor zelfs te vervallen.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Opgepast met hotelrekeningen, facturen van seminaries

Zoals U wellicht weet zijn de restaurantkosten vanaf 1 januari 2005 fiscaal slechts aftrekbaar aan 69%.
Dit geldt ook voor de restaurantkosten inbegrepen in hotelrekeningen en facturen betreffende seminaries!!

Een pittig maar duur detail is wel dat wanneer de restaurantkosten niet afzonderlijk zijn gespecificeerd op de hotelrekening of factuur van het seminarie, de volledige factuur van het hotel of het seminarie te beperken is inzake aftrek. In dit geval wordt dus het totale bedrag van de factuur als beroepskost beperkt tot 69%.

Wij vestigen er tevens de aandacht op dat de belastingplichtige moet aantonen dat de kosten die hij draagt het karakter van beroepskosten hebben.

Een bankuittreksel dat uitsluitend een globaal bedrag vermeldt volstaat bijgevolg niet. In dat geval moet een duidelijk gedetailleerde hotelrekening worden voorgelegd.

Vergeet trouwens ook niet dat buitenlandse restaurantkosten vanaf 1 januari 2004 ook onder de aftrekbeperking vallen.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Kan een zaakvoerder zijn privé auto verhuren aan zijn vennootschap?

Krijgt de zaakvoerder dan privé huurinkomsten?

Inderdaad en dat is voor hem privé fiscaal gezien wel interessant. Het huurgeld, dat hij zo van zijn vennootschap ontvangt voor het huren van zijn auto, is fiscaal gezien dan immers een inkomst uit de verhuur van roerende goederen en dus wordt het niet aanzien als een beroepsinkomst. Dus worden hierop ook geen sociale bijdragen betaald…

Wat betekent dat voor de klant? Op het ontvangen huurgeld betaalt hij slechts 15% belastingen. Hij heeft daarnaast ook nog recht op een forfaitaire kostenaftrek van 15%, dus in feite betaalt hij slechts 12,75% belasting (nl. 15% op 85%). Best even nakijken of de werkelijke kosten m.b.t. zijn auto niet hoger liggen dan die 15%. In het voorkomende geval (en dat zal dikwijls zo zijn) mag hij immers gewoon de werkelijke kosten in rekening brengen. Ook kan hij als verhuurder contractueel voorzien dat alle autokosten (onderhoud, brandstof, verzekering …) ten laste zijn van zijn vennootschap.

Wat met de BTW? Door de verhuur van één auto, wordt hij in principe geen BTW-plichtige. Dat werd al meermaals beslist. Bijgevolg moet hij geen BTW aanrekenen op de huur die hij vraagt. De keerzijde is natuurlijk wel dat hij de BTW, die hij zelf betaalt, niet kan recupereren.

Hoe zit dat dan bij zijn vennootschap? Die kan het huurgeld en de andere autokosten wel aftrekken, maar zij moet hierbij wel rekening houden met de aftrekbeperkingen

Wat dan met het privé gebruik? Hetzelfde geldt wanneer de auto van zijn vennootschap zou zijn. De zaakvoerder wordt privé nog altijd belast op een voordeel auto voor zover hij hier privé mee rijdt. De auto wordt immers gehuurd door de vennootschap van de zaakvoerder en die stelt hem dan op haar beurt weer te zijner beschikking om er ook privé mee te rijden. Men kan dus niet waarmaken dat men de auto enkel verhuurt voor het beroepsmatige gebruik.
Waarom niet enkel de beroepskilometers privé doorfactureren aan de vennootschap?

Tip: Maak wel steeds een contractje van verhuur op.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Forfaitaire verblijfsvergoedingen voor opdrachten in het buitenland: nieuwe bedragen vanaf 01/04/2014

Vanaf 1 april 2014 zijn er nieuwe bedragen van de forfaitaire verblijfsvergoedingen voor opdrachten in het buitenland van toepassing.

De volledige lijst zoals deze op 27/03/2014 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad vindt u in onderstaande link.

Link Belgisch Staatsblad dd. 27032014

 

INHOUDELIJK

Voor kortstondige verblijven in het buitenland kunnen ambtenaren van een forfaitaire verblijfsvergoeding genieten. Daar deze vergoedingen voor buitenlandse reizen door de fiscale administratie als ernstig worden aanvaard, kunnen ook werknemers die in de privé-sector worden tewerkgesteld hiervan genieten.
Deze bedragen zijn vastgesteld per land.

Er zijn 2 soorten vergoedingen:

  • De huisvestingskosten: Dit zijn de maximum-richtprijzen voor hotels. Best doet U er echter aan om de werkelijke facturen in te boeken (bedragen zijn meestal hoger).
  • De dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoedingen: Dit betreft een forfait voor kleine uitgaven en maaltijdkosten.

 

TE BEWIJZEN 

  • u moet kunnen bewijzen dat u in het buitenland was voor zaken,
  • het beroepsmatige karakter moet bewezen worden (inkomticket beurs, mails over afspraken, verslagen van meetings, factuur hotel),
  • u moet minstens 10 uur weg zijn als u op 1 dag heen- en terugreist. Indien er een overnachting bij is, dan tellen de dag van vertrek en de dag van terugkomst slechts voor een halve dag. De zakenreis mag in principe niet langer duren dan 30 opeenvolgende kalenderdagen.

Het betreft hier een NIET-BELASTBARE terugbetaling van eigen kosten. Dit betekent dat deze kosten aftrekbaar zijn voor de werkgever die ze toekent en niet belastbaar zijn bij de werknemer die ze ontvangt.

Aan de RSZ werd de vraag voorgelegd of deze fiscale bedragen ook door de RSZ werden aanvaard. De RSZ heeft hierop positief geantwoord. Voor de RSZ dekken deze forfaits evenwel uitsluitend de kosten van maaltijden, drank, het gebruik van plaatselijke vervoermiddelen en andere kleine uitgaven, met uitsluiting van reis- en logementskosten. Deze laatste moeten bewezen worden door middel van facturen.

Let wel op: U dient aan Uw sociaal secretariaat deze kosten op te geven. Zij dienen immers op de individuele fiche MET BEDRAG vermeld te worden.

De nieuwe circulaire (15/04/2011) heeft onopvallend een verstrenging (verduidelijking …) toegevoegd:

  • Indien uw beroep bestaat uit dagelijkse verplaatsingen naar het buitenland, dan vindt de fiscus dat dit niet in aanmerking kan komen. Het moet gaan over “dienstreizen”.
  • Alleen sedentaire functies komen in aanmerking: d.w.z. dat u hier in België uw vaste plaats van tewerkstelling moet hebben.

In onderstaande links vindt u telkens de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de lijst van verblijfsvergoedingen voor opdrachten in het buitenland vanaf 2010.

Link Belgisch Staatsblad dd. 01/04/2010

Link Belgisch Staatsblad dd. 09/05/2011

Link Belgisch Staatsblad dd. 30/03/2012

Link Belgisch Staatsblad dd. 06/05/2013

 

De Federale Overheidsdienst voor Financiën publiceerde een verduidelijkende handleiding bij de tabellen, Circulaire nr. Ci.RH.241/534.514 (AOIF 17/2006) dd. 11.05.2006, die u in volgende link terugvindt.

Website Fisconet

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)




Forfaitaire dagvergoedingen dienstreizen in België

Sinds 1 juni 2011 zijn de dagvergoedingen (die niet jaarlijks geïndexeerd worden) verhoogd.

Voor kortstondige verblijven in het buitenland kunnen werknemers/bedrijfsleiders van een forfaitaire verblijfsvergoeding genieten. Zo een systeem bestaat eigenlijk ook voor dienstreizen in België.

Werknemers/bedrijfsleiders die regelmatig onderweg zijn in opdracht voor hun zaak kunnen hiervoor vergoed worden met een forfaitaire dagvergoeding. De Administratie gaat ervan uit dat de werknemer/bedrijfsleider wel 5 uur onderweg moet zijn om hiervan te genieten. De middag moet in die 5 uur dan wel begrepen zijn.

Men moet echter wel een zeer degelijke verantwoording kunnen voorleggen. Kent men dergelijke vergoedingen toe, dan kan men best in een agenda aantonen naar waar, naar wie en hoelang de werknemer/bedrijfsleider weg was.

Onze tabel die deze vergoeding aangeeft, werd heden aangepast.

Deze regeling geldt enkel voor vennootschappen en niet voor eenmanszaken.

 

Gevolgen op fiscaal vlak:

De forfaitaire vergoedingen, die de werkgever toekent als terugbetaling van verblijfskosten gemaakt door een werknemer tijdens zijn beroepsverplaatsingen, zijn niet belastbaar voor de werknemer.
Voor de vennootschap is die vergoeding voor 100% aftrekbaar. Het zijn geen ‘gewone’ restaurantkosten in de fiscale zin van het woord en dus hoeft de aftrek ervan niet beperkt te worden.

 

Gevolgen op sociaal vlak:

In zijn instructies van het 3de kwartaal 2010 vermeldt de RSZ een lijst van de verschillende posten waarvoor de RSZ een forfaitaire raming aanvaardt, alsook de bedragen en de voorwaarden waarin zij mogen worden toegepast. De RSZ aanvaardt vandaag 30 euro voor een overnachting.

Dit bedrag wordt beperkt tot de dagen waarop de werknemer moet blijven logeren in de omgeving van een werf of van een werkplek wanneer het omwille van de afstand voor hem niet redelijk is naar huis te keren. Dit bedrag dekt de kosten van avondmaal, overnachting en ontbijt.

Wanneer de werknemer niet blijft logeren, aanvaardt de RSZ de toekenning van volgende bedragen:

  • een baanvergoeding van 8 EUR;
  • een vergoeding van 6 EUR voor maaltijdkosten wanneer de werknemer geen eten kan meenemen. Die maaltijdvergoeding kan niet worden toegekend wanneer de werknemer maaltijdcheques met een patronale tegemoetkoming krijgt.

Verder legt de RSZ de volgende voorwaarden op en preciseert bovendien:

  • de vergoedingen voor verblijfskosten gelden slechts voor niet-sedentaire werknemers. Met niet-sedentair bedoelt de RSZ de werknemer die zich in de loop van de dag moet verplaatsen en dus niet kan beschikken over de sanitaire installaties van de werkgever of van een filiaal van hem (bijvoorbeeld: toiletten, stortbaden, eetzaal). De werknemer moet dus privé-accommodatie gebruiken;
  • de niet-sedentaire werknemer moet meer dan 4 uur op een dag op de baan zijn;
  • er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de hiërarchische niveaus (zoals in de fiscaliteit);
  • de werknemers die één of meer opeenvolgende dagen op dezelfde plaats werken (bijvoorbeeld op een werf) of bij dezelfde opdrachtgever, hebben niet de hoedanigheid van niet-sedentaire werknemer. De RSZ stelt dat die plaats de plaats van tewerkstelling wordt en dat de werknemer er gebruik kan maken van de sanitaire installaties (tenzij het tegengestelde kan worden aangetoond). Alleen in dat geval kan er gedacht worden aan de toekenning van maaltijdcheques.

Spijtig uiteraard dat men alles zo ingewikkeld maakt…

 

Die vergoeding is in principe ook combineerbaar met andere onkostenvergoedingen:

Met een gewone forfaitaire onkostenvergoeding:

De binnenlandse dagvergoeding betreft een terugbetaling van maaltijdkosten en uw forfaitaire algemene onkostenvergoeding dekt mogelijks andere kosten, zoals kleine uitgaven onderweg, nutsvoorziening voor uw bureau thuis, e.d.

 

Met de terugbetaling van werkelijke kosten:

Dit kan op voorwaarde uiteraard dat de werkelijke kosten die u laat terugbetalen niet slaan op het restaurantbonnetje van de dag waarop u een binnenlandse dagvergoeding opneemt…
Wat als u al maaltijdcheques heeft?

Men kan deze onkostenvergoeding nog wel combineren, maar men moet wel rekening houden met het feit dat het totale bedrag voor die dag “forfaitaire dagvergoeding + maaltijdcheques” niet méér bedraagt dan de maximale uit te betalen dagvergoeding.

 

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)