Notionele intrestaftrek

Vanaf aanslagjaar 2007 geeft de regering een nieuw fiscaal geschenk aan alle vennootschappen, namelijk de notionele intrestaftrek. Praktisch zal er een percentage op het eigen vermogen worden toegekend als belastingsaftrek. Hier volgt een grondige uiteenzetting van de notionele intrestaftrek:

Algemeen

De fiscus wil vanaf AJ2007 (=1/1/2006) een vermindering van de belastbare grondslag toestaan met een bedrag dat overeenstemt met de fictieve rendabiliteit van het eigen vermogen. In de vakliteratuur spreekt men ook wel van de aftrek voor risicokapitaal.

Wie?

  1. Alle vennootschappen en rechtspersonen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting kunnen gebruik maken van de notionele intrestaftrek. Voorwaarde is wel dat ze een jaarrekening opstellen. Kleine vennootschappen die van die verplichting ontheven zijn, zullen voor boekjaar 2005 al een jaarrekening moeten opstellen, willen ze in AJ2007 de notionele intrestaftrek genieten.
  2. Buitenlandse vennootschappen met een Belgische vaste inrichting of onroerende goederen in België. Zij moeten wel een boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen.
  3. NIET: vennootschappen die aan een afwijkend fiscaal regime onderworpen zijn. Denk daarbij aan: coördinatiecentrum, BEVEK, BEVAK, VBS, reconversievennootschap, coöperatieve participatievennootschap (wet 22/5/2001) en de zeescheepvaartvennootschap.

Wat

De notionele intrestaftrek is een percentage op het eigen vermogen dat men van de belastbare winst mag aftrekken. (denk aan investeringsaftrek = % op investeringen/afschrijvingen dat in aftrek van de belastbare winst wordt gebracht)

 

Eigen vermogen

De basis voor de berekening van de notionele intrestaftrek is het eigen vermogen uit de balans van het vorige jaar (vandaar de noodzaak aan een jaarrekening voor boekjaar 2005 voor kleine vennootschappen!!) overeenkomstig de wet op de boekhouding en de jaarrekening. Wanneer een vennootschap wordt opgericht, vormt de toestand van het eigen vermogen bij oprichting de basis.

De basis wordt verminderd met:

  • Kapitaalsubsidies (rekening 15);
  • Uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden (rekening 12/herwaarderingsmeerwaarden);
  • Fiscale nettowaarde (op het einde van het voorgaande belastbare tijdperk!!) van eigen aandelen die door de vennootschap zelf worden aangehouden en van de financiële vaste activa (=deelnemingen en andere aandelen);
  • Nettoboekwaarde van een buitenlandse vaste inrichting in een land met verdrag ( dat wil zeggen dat de inkomsten van de vaste inrichting vrijgesteld zijn op basis van het dubbelbelastingverdrag). De netto boekwaarde is de nettoboekwaarde van het actief min de voorzieningen en de schulden die op de vaste inrichting kunnen worden toegerekend;
  • Nettoboekwaarde van buitenlandse onroerende goederen in een land met verdrag (idem buitenlandse vaste inrichtingen);
  • Nettoboekwaarde van materiële vaste activa wanneer de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overschrijden;
  • Boekwaarde van zaken die worden aangehouden als belegging en die als zodanig geen periodieke inkomsten opleveren. Voorbeelden: antiek, kunst, juwelen, … wel oppassen dat dit niet geldt wanneer deze zaken als voorraad geboekt zijn (juwelier, antiekhandelaar, …)!
  • Nettoboekwaarde van onroerende goederen waarvan het gebruik toekomt aan bedrijfsleiders 1° categorie (art 32, 1° lid, 1° WIB), hun echtgenoot of niet ontvoogde kinderen van beiden.

Wanneer in aanmerking te nemen of uit te sluiten elementen tijdens het boekjaar wijzigingen ondergaan, moet men werken met gewogen gemiddelden. Elke wijziging moet afzonderlijk beschouwd worden. Een wijziging wordt geacht plaats te vinden op de eerste dag van de maand die volgt op de wijziging. Zo zal een kapitaalsverhoging op 15 november slechts voor 1/12 mee in rekening worden genomen (met dien verstande dat de vennootschap afsluit op 31/12!!). Ik ga niet te ver uitwijden over wijzigingen tijdens het boekjaar want er zjin momenteel nergens uitgewerkte praktijkvoorbeelden te vinden.

Wanneer een eerste boekjaar langer/korter is dan 12 maanden, dan wordt het bedrag aan notionele intrestaftrek vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal dagen van het belastbare tijdperk en de noemer gelijk is aan 365.

 

Tarief

Het tarief zal jaarlijks bepaald worden op basis van de referte-indexen die het rentenfonds maandelijks bekendmaakt (OLO op 10 jaar). Het tarief mag nooit 6,5% overschrijden en zal nooit groter dan 1 % zijn dan het tarief van het voorgaande aanslagjaar. Belangrijk is wel dat het tarief 0,5% hoger ligt voor kleine vennootschappen in de zin van art 15 WVENN.

 

Aanslagjaar              Grote ondernemingen              KMO-vennootschappen

2012                                  3,425%                                      3,925%

2011                                  3,800%                                      4,300%

2010                                  4,473%                                      4,973%

2009                                  4,307%                                      4,807%

2008                                  3,781%                                      4,281%

2007                                  3,442%                                      3,942%

 

KMO-vennootschap: dit is een vennootschap die maximaal één van de volgende criteria overschrijdt (op geconsolideerde basis –> artikel 15 W.Venn):

  • een omzet van 7.300.000 euro
  • een balanstotaal van 3.650.000 euro
  • een gemiddeld personeelsbestand van 50 werknemers

Een vennootschap met een gemiddeld personeelsbestand van 100 werknemers is echter nooit een KMO-vennootschap.

 

Volgorde aftrek

De notionele intrestaftrek zal na de DBI aftrek en voor de recuperatie van geleden verliezen en van de investeringsaftrek plaatsvinden (tip: bekijk eens de aangifte vennootschapsbelasting)

 

Overdraagbaarheid

De notionele intrestaftrek is beperkt overdraagbaar. Als er niet genoeg winst is om de aftrek te genieten, is hij overdraagbaar op de winst van de 7 volgende jaren.

De notionele intrestaftrek is echter niet langer overdraagbaar wanneer zich een controlewijziging voordoet die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften (gewijzigd art 207 WIB).

 

Voorwaarden

  • OnaantastbaarheidsvoorwaardeAanvankelijk moest de aftrek op een afzonderlijke passiefrekening (132500??)geboekt worden en blijven gedurende de 3 belastbare tijdperken die volgden opdatgene waarvoor de aftrek werd verleend. De niet naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde leidde tot een effectieve belasting van de reeds toegepaste aftrek. De notionele intrestaftrek die nog niet was toegepast, was vanaf dat moment niet overdraagbaar meer. Begin AJ 2007 werd deze voorwaarde echter afgeschaft.
  • Investeringsreserve Wanneer een belastingplichtige (=KMO) opteert voor de investeringsreserve, zal hij voor dat belastbaar tijdperk en de twee volgende niet meer kunnen genieten van de notionele intestaftrek. De overdraagbaarheidstermijn van de notionele intrestaftrek wordt wel verlengd met de periode waarvoor de aftrek niet kan worden toegepast.

 

Gevolgen op fiscaliteit van deze maatregel

  • RegistratierechtenHet recht van 0,5% bij oprichting of inbreng wordt vervangen door een vast recht van 25€.
  • Belastingkrediet KMO Het belastingskrediet verdwijnt behalve het deel dat nog niet verrekend werd door AJ2007.
  • Investeringsaftrek De investeringsaftrek verdwijnt behalve het gedeelte dat werd toegestaan vóór AJ2007. Dat wil zeggen dat de gespreide investeringsaftrek nog doorloopt voor de volgende jaren en dit voor investeringen die werden gedaan tot 31/12/2005.

De verhoogde aftrek voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling, in herbruikbare verpakkingen en in energiebesparende maatregelen blijft echter wel behouden.

 

(Auteur: Georges Bauwens, erkend boekhouder-fiscalist BIBF 301 85 790)